Wat gebeurt er met openstaande vakantiedagen?

Volgens de wetgever heeft iedere werknemer recht op rust en vrije tijd. In het arbeidsrecht zijn daarom bepalingen opgenomen die hier het ťťn en ander over regelen.

Toch blijkt er onder werkgevers en werknemers nog veel onduidelijkheid te bestaan over het opnemen, uitbetalen en vervallen van de vakantiedagen. Vooral aan het eind van de zomer ontstaan hier veel vragen over.
In een uitspraak van de kantonrechter in Utrecht worden de wettelijke regels nog eens nagelopen en gekeken of er eventuele uitzonderingen van toepassing zijn.

Positie vakantiedagen in het arbeidsrecht

In onderhavige rechtszaak was een werknemer van de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 oktober 2014 voor onbepaalde tijd in dienst bij Atos, een IT-bedrijf dat zich bezighoudt met systeemontwikkeling en consultancy. Op 17 augustus 2011 is de werknemer arbeidsongeschikt geraakt door een depressie en heeft sindsdien niet meer gewerkt.
Ter discussie stond welk aantal vakantiedagen door de werkgever diende te worden uitbetaald nadat het dienstverband was beŽindigd. Volgens de kantonrechter kon dit geschil worden uitgesplitst in twee sub geschillen. De rechtbank diende namelijk de vraag te beantwoorden of de opgebouwde vakantiedagen uit 2012 en 2013 waren vervallen en te beoordelen of het mogelijk is bij bovenwettelijke vakantiedagen af te wijken van de wettelijke regeling.

Berekenen vakantiedagen

Volgens artikel 7:634 BW heeft de werknemer over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier keer de overeengekomen arbeidsduur per week. Dit minimum vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworden.

Als de werknemer bijvoorbeeld in 2017 32 uur per week werkt, dan heeft deze recht op tenminste 16 vakantiedagen (32 uur per week ◊ 4 ų 8 uur per dag). De wet bepaalt dat deze dagen op 1 juli 2018 zullen vervallen. Een half jaar na het verstrijken van het voorgaande jaar.

Vervallen bovenwettelijke vakantiedagen

Het kan ook zijn dat de werknemer bovenwettelijke vakantiedagen opbouwt. Dit zijn de vakantiedagen die boven op het minimum komen. Dit is meestal geregeld in de cao, het bedrijfsreglement of de individuele arbeidsovereenkomst en vaak afhankelijk van het aantal dienstjaren en de leeftijd van de werknemer. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen is een vervaltermijn van vijf jaar van toepassing. Deze vakantiedagen zullen dus op 1 januari 2023 vervallen.
Bovengenoemde vervaltermijnen zijn niet van toepassing als de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest om de vakantiedagen op te nemen (artikel 7:640a BW).

Enkel onder bijzondere omstandigheden wordt aangenomen dat de werknemer redelijkerwijs niet in staat is zijn vakantiedagen op te nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de werkgever het voor de werknemer onmogelijk maakt de vakantiedagen op te nemen.
In dit geval was er sprake van een ziekte, namelijk de depressie. De rechtbank in Utrecht oordeelde dat het vervaltermijn hier wel gewoon van toepassing was. Aangezien de werknemer niet geheel was vrijgesteld van re-integratieverplichtingen, was de rechter van oordeel dat de werknemer de vakantiedagen gewoon kon opnemen.
De rechter benadrukt dat het opnemen van de vakantiedagen onder de verantwoordelijkheid van de werknemer zelf valt.

Opbouw bovenwettelijke vakantiedagen tijdens ziekte

Daarnaast was de werknemer van mening dat hij meer bovenwettelijke vakantiedagen had opgebouwd dan werd toegezegd. Zijn arbeidsongeschiktheid zou niet in de weg staan aan het opbouwen van de vakantiedagen.
Dit wordt betwist door Atos. In hun arbeidsvoorwaardengids was namelijk een expliciete bepaling opgenomen over de bovenwettelijke vakantiedagen van arbeidsongeschikte werknemers. Deze werknemers zouden alleen vakantiedagen opbouwen over een tijdvak van de laatste zes maanden waarin wegens arbeidsongeschiktheid geen arbeid werd verricht. Volgens de werknemer was dit niet toegestaan omdat met deze bepaling werd afgeweken van artikel 7:634 BW.

De rechtbank oordeelde dat er inderdaad van artikel 7:634 BW werd afgeweken maar dit gerechtvaardigd was op grond van artikel 7:635 lid 5 BW. Hierin in namelijk bepaald dat bij schriftelijke overeenkomst van artikel 7:634 kan worden afgeweken als de werknemer bovenwettelijke vakantiedagen opbouwt. De arbeidsvoorwaardengids was onderdeel van de arbeidsovereenkomst en daarom schriftelijk overeengekomen. Het afwijkende artikel in de gids werd door de kantonrechter dus van toepassing verklaard
Zowel het eerste als het tweede sub geschil werd daarom afgewezen.

Verplichting opnemen vakantiedagen

Tot slot is het belangrijk om te weten dat de werkgever de werknemer niet kan verplichten om openstaande vakantiedagen op te nemen, ook niet wanneer het dienstverband wordt beŽindigd. De werkgever dient deze overgebleven vakantiedagen uit te betalen.
Ook tijdens het dienstverband kunnen de bovenwettelijke vakantiedagen worden omgeruild tegen geld. Dit geldt echter niet voor de wettelijk opgebouwde vakantiedagen.
De meeste werkgevers zullen een bepaling in de arbeidsovereenkomst of in het bedrijfsreglement opnemen, waarin zij achten dat de vakantiedagen worden opgenomen en dus niet worden uitbetaald. Zo proberen ze een uitbetaling van openstaande vakantiedagen te voorkomen.

Arbeidsrechtelijk advies van een advocaat?

Wilt u advies van een arbeidsrecht advocaat in de regio Arnhem of Nijmegen? Bel voor een vrijblijvend gesprek 0800-44 55 000. Graag staan wij u te woord.

Door: Chiel Hendriks

Bron: Rechtbank Midden-Nederland 27 januari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:434

Schrijf een reactie


Reacties

Er zijn nog geen reacties.


Schrijf een reactie

Volg ons   LinkedIn   Twitter   Facebook