Affectieschade voor stiefouders

Affectieschade voor stiefouders: Affectieschade is een vergoeding voor naasten van een slachtoffer met blijvend ernstig letsel en nabestaanden bij overlijden. In de wet staat een vaste groep personen die recht hebben op affectieschadevergoeding. Stiefouders worden niet genoemd. De Hoge Raad beslist daarom dat een stiefvader van een niet-thuiswonende alleen recht heeft op affectieschade als er sprake is van een nauwe persoonlijke relatie.

Dat betekent niet dat stiefouders van een uitwonende geen recht hebben op affectieschade. Stiefouders worden echter niet specifiek genoemd in de wet. Er bestaat daarom alleen aanspraak op affectieschade op grond van de hardheidsclausule. Op grond van de hardheidsclausule zal onderbouwd moeten worden dat er vanwege een nauwe persoonlijke relatie recht bestaat op affectieschade. Als het stiefkind thuis woont is er (meestal) sprake van een duurzaam gezinsverband en heeft de stiefouder wel recht op affectieschade.

Lid van het Nationaal Keurmerk Letselschade en de branchevereniging Nederlandse Letselschade Experts

Hebben stiefouders van uitwonende stiefkinderen recht op affectieschade?

Stiefouders worden, in tegenstelling tot biologische ouders, niet specifiek genoemd in artikel 6:108 BW. Stiefouders kunnen recht hebben op affectieschade als het stiefkind thuis woont (duurzaam gezinsverband). Als het stiefkind uitwonend is, bestaat er alleen recht op affectieschade als er sprake is van een nauwe persoonlijke relatie zoals benoemd in artikel 6:108 lid 4 sub g BW (de hardheidsclausule):

Artikel 6:108 lid 4 sub g BW: ‘een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.’

Affectieschade stiefvader toegewezen

De Hoge Raad beschrijft de omstandigheden van het geval en de eerder genomen beslissing. De eiser is stiefvader van het overleden slachtoffer. Het slachtoffer woonde niet meer thuis. De rechter besliste dat stiefouders hetzelfde bedrag aan affectieschade als biologische ouders:

‘Uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij in 1983 als stiefvader deel is gaan uitmaken van het gezin waarin het toen 13-jarige slachtoffer tot zijn 20e levensjaar opgroeide, en dat het slachtoffer ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 – de ‘gebeurtenis’ als bedoeld in artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder e, BW – dus niet meer ‘thuiswonend’ was. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat stiefouders ‘naar de letter’ niet onder de in artikel 6:108 lid 4 BW bedoelde personen vallen, maar dat uit de door de rechtbank genoemde motie, weergegeven onder 4.6 in de conclusie van de advocaat-generaal, zou volgen dat stiefouders ‘dezelfde bedragen ter vergoeding van affectieschade krijgen als biologische ouders’. Op grond hiervan heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade tot het bedrag van € 17.500 toegewezen.’

Hoge Raad vernietigt uitspraak vanwege ontbreken wettelijke grondslag

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak. Uit de uitspraak blijkt niet op welke grond de affectieschadevergoeding is toegekend:

‘Dit – door het hof overgenomen – oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van de rechtbank onvoldoende kan worden afgeleid op welke in artikel 6:108 lid 4 BW vermelde grond en op welke door de rechtbank vastgestelde omstandigheden de rechtbank de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd.’

Affectieschade voor stiefouders, affectieschade stiefvader, Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1264

Stiefouder met uitwonend stiefkind niet genoemd in de wet

De rechter toetst de omstandigheden aan de wet. Stiefouders met een uitwonend kind worden niet specifiek genoemd. De wet bevat daarnaast een hardheidsclausule, maar voor een beroep op de hardheidsclausule moet de rechter onderbouwen (motiveren) waarom de hardheidsclausule van toepassing is. Deze onderbouwing ontbreekt in dit geval:

‘Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder c, BW geldt dat in deze bepaling de stief- of pleegouder niet is opgenomen. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder e, BW geldt dat uit de vaststellingen van de rechtbank volgt dat de benadeelde partij ten tijde van het bewezenverklaarde feit in 2021 – de ‘gebeurtenis’ als bedoeld in artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder e, BW – al geruime tijd niet meer duurzaam in gezinsverband de zorg voor het slachtoffer had. Voor zover de rechtbank die toewijzing heeft gegrond op artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW geldt dat de rechtbank geen nadere feiten heeft vastgesteld over de intensiteit, aard en duur van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij die een beroep op deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling kunnen dragen.’

Stiefouders besproken, maar niet opgenomen in de wet

De rechtbank wees de vordering toe omdat in de wetgeschiedenis wel is gesproken over stiefouders en het toekennen van affectieschade aan stiefouders. Dit recht is uiteindelijk niet in de wet opgenomen. Dat de wetgever het voornemen had om stiefouders op te nemen, betekent niet dat dit recht bestaat:

‘Dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de onder 3.3 bedoelde wet de wens naar voren komt dat – zoals ten aanzien van pleegouders uiteindelijk ook is vastgelegd in de in artikel 6:108 lid 3 BW bedoelde algemene maatregel van bestuur – ouders en stiefouders, als de wet aan hen een aanspraak geeft op vergoeding van affectieschade, aanspraak kunnen maken op bedragen van gelijke hoogte, maakt dit alles niet anders.’

Geen oordeel over affectieschade in strafzaak

Naasten en nabestaanden kunnen het recht op schadevergoeding net als slachtoffer door de strafrechter laten beoordelen. De strafrechter verklaart de affectieschadevordering niet-ontvankelijk. De zaak nogmaals laten beoordelen door de strafrechter is niet wenselijk vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Het slachtoffer kan door de niet-ontvankelijk verklaring de vordering (nogmaals) voorleggen aan de civiele rechter.

Gratis rechtsbijstand en advies bij letselschade

Bel naar 0800 44 55 000, stuur een e-mail naar info@hijink.com of vul het onderstaande contactformulier in.

    Uw naam
    Uw telefoonnummer
    Uw e-mailadres

    Bron: www.rechtspraak.nl Hoge Raad 14 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1264

    Heeft u recht op een letselschade vergoeding?

    Test het hier!

    Schrijf u in voor onze nieuwsbrief
    HIJINK Advocaten