Het recht van vruchtgebruik geeft het recht goederen van een ander te gebruiken en de vruchten daarvan te genieten.

De gedachte achter het recht van vruchtgebruik is dat iemand de opbrengsten van goederen kan gebruiken zonder eigenaar te worden. Als er angst bestaat dat de ontvanger niet verantwoordelijk met het kapitaal kan omgaan, is vruchtgebruik een mogelijkheid. Ook als men de begunstigde, maar niet zijn of haar erfgenamen wil bevoordelen, biedt vruchtgebruik een uitkomst. Het recht kan zowel bij leven als in een testament worden gegeven.

Vruchtgebruik is een beperkt recht, het is afgeleid van het meeromvattende eigendomsrecht, maar ook een zogenaamd genotsrecht. De vruchtgebruiker verkijgt het genot over goederen zonder de eigenaar te worden. Het recht kan alleen worden gevestigd voor zolang de vruchtgebruiker in leven is. Bij het overlijden van de gerechtigde gaat het recht te niet. Als het recht toekomt aan een rechtspersoon gaat het te niet als de rechtspersoon wordt ontbonden.

Het recht kan gevestigd worden op gebruiksgoederen, bijvoorbeeld op een woning, inboedel of auto, maar ook op een bankrekening of vordering.

De zaken waarop vruchtgebruik rust mogen ook verbruikt worden als dat mogelijk is. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan etenswaren of een wijnkelder. Een recht op verbruikbare goederen gaat te niet indien alle goederen zijn opgebruikt.

Het recht komt tot stand door een vestigingshandeling van een beschikkingsbevoegd persoon. In het geval het recht rust op onroerend goed is een notariële akte en inschrijving in de openbare registers noodzakelijk. Aan het gebruik kunnen nadere regels worden gesteld bij de vestiging.

Het recht van gebruik en het recht van bewoning zijn twee speciale vormen van vruchtgebruik. Deze rechten worden vaak toegekend als het gaat om een woning. De wet bevat speciale regels voor het recht van gebruik en het recht van bewoning.