Onlangs heeft ons kantoor vonnis gehad in een kwestie met dieraansprakelijkheid (val van een paard). Bijzonder aan deze uitspraak is de beoordeling van het eigen schuldpercentage bij het berijden van een onbeleerd paard door een ervaren ruiter.

We wisten al dat veel rechters van oordeel zijn dat paardrijden risico’s met zicht brengt en dat vaak aanleiding is voor het aannemen van eigen schuld. In de onderhavige casus gaat het een stapje verder, in het nadeel van gelaedeerde overigens.

Beschrijving en uitspraak:

Eiser heeft op 21 augustus 2013 letselschade opgelopen door de val van een paard van gedaagde. Eiser stelt gedaagde als eigenaar van het paard aansprakelijk ex 6:179 BW, dan wel op grond van artikel 6:162 BW voor de door haar geleden schade.

Gedaagde en haar aansprakelijkheidsverzekeraar stellen zich samenvattend op het standpunt dat zij niet aansprakelijk kunnen worden gehouden, aangezien eiser zelf verantwoordelijk is voor de val, dit vanwege een ruiterfout. Eiser kan zich niet verenigen met dit afwijzende standpunt en start een bodemprocedure bij de rechtbank Arnhem, zij vordert voor recht te verklaren dat gedaagde aansprakelijk is voor de materiele en immateriele schade ontstaan door de val van het paard.

Val van een onbeleerd paard, eigen schuld val van paard, eigenschuldpercentage paardrijden

De feiten

Eiser houdt zich hobbymatig bezig met het berijden en het verzorgen van paarden. In 2010 zag zij een advertentie van gedaagde op marktplaats, in welke advertentie gezocht werd naar iemand die haar paarden mee wilde helpen verzorgen en berijden. Na de kennismaking is tussen eiser en gedaagde de afspraak gemaakt dat eiser, in ruil voor de verzorging van de paarden, de paarden van gedaagde mocht berijden. Verdere afspraken over de risico’s of eventuele schade zijn er niet gemaakt.

Gedaagde is eigenares van een paardenfokkerij, in geschreven bij de Kamer van Koophandel. Naast het fokken van paarden geeft gedaagde ook paardrijles en workshops.

Op 11 augustus 2013 heeft gedaagde een 6-jarig paard. Op facebook omschrijft gedaagde het paard als volgt: “Powerfull mare of 6 years old. I am looking forward to start training her”. Oftewel een krachtige merrie en Wösten kijkt er naar uit om haar te gaan trainen. Echter om het paard eerst aan de nieuwe omgeving te laten wennen, is er de eerste tien dagen niet op haar gereden. Op 21 augustus 2013 is eiser samen met gedaagde naar de wei gegaan om het paard voor het eerst te gaan berijden. Gedaagde vroeg of eiser op het paard wilde rijden, eiser bevestigde dat te doen. Het berijden van het paard vond plaats in een weiland, waarvan een klein gedeelte met stroomdraad was afgezet.

Na het paard te hebben opgezadeld liet gedaagde het paard aan de hand lopen. Gedaagde en eiser wisten weinig over het paard. Er was dus niet bekend hoe het paard zou reageren met een ruiter op haar rug. Tijdens het lopen met het zadel op haar rug oogde het paard ontspannen, waarna eiser op haar ging zitten. Gedaagde hield het paard in eerste instantie vast aan een touw om rond te stappen. Dit ging goed, waarna gedaagde met het paard aan het touw ging draven. Gedaagde stelde vervolgens voor om het paard van het touw los te maken, zodat eiser haar zelfstandig door het afgezette stuk wei kon rijden. In stap ging dat goed zodat gedaagde aangaf dat eiser de overgang kon maken naar draf. Eiser volgde de instructies van gedaagde op en gaf de hulpen om in draf te gaan. Opeens schoot het paard er vandoor in galop. Eiser was de controle over het paard kwijt en kon haar niet stoppen. Door de snelheid van het paard kon eiser moeilijk haar evenwicht bewaren. Op een gegeven moment stopte het paard plots, dit ter hoogte van de stroomdraden, waardoor eiser van het paard viel. Gelijk werd duidelijk dat ze fors letsel had opgelopen. Ze werd per ambulance overgebracht naar het ziekenhuis waar sprake bleek te zijn van een breuk van het schaambeen en staartbeen. Ook enkele jaren later volgden er nog operatieve ingrepen.

De restbeperkingen van eiser bestaan uit zenuwpijn onderin het bekken, waardoor lang staan, zitten en lopen pijnlijk is. Eiser kan niet meer hardlopen en is beperkt in het traplopen en fietsen.

Ook haar werk als verpleegkundige kon eiser niet meer uitvoeren. Tenslotte hadden de verwondingen als gevolg dat een natuurlijke bevalling niet mogelijk was.

Aansprakelijkheid artikel 6:179 BW

Op basis van artikel 6:179 BW is de bezitter van een dier aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade. Dit betreft een risicoaansprakelijkheid en dit brengt dus met zich mee dat de eigenaar in de basis aansprakelijk is voor de schade die zijn dier veroorzaakt, tenzij aansprakelijkheid op grond van afdeling 6.3.1 BW zou hebben ontbroken, indien hij die de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad. De grondslag voor deze risicoaansprakelijkheid is, het gevaar dat in de eigen energie van het dier schuilt en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten.

Aansprakelijkheid artikel 6:162 BW

De gestelde onrechtmatige daad schuilt er volgens eiser in dat gedaagde haar op een paard heeft laten rijden, dit zonder zelf enige/onvoldoende kennis te hebben over het gedrag van het paard onder het zadel (schending zorgvuldigheid mede vanwege het ras en afkomst). Onrechtmatig is ook het gegeven dat gedaagde op enig moment de longeerlijn losmaakte zonder adequate en redelijkerwijs te vergen voorzorgsmaatregelen te treffen. Gedaagde heeft hiermee een gevaarzettende situatie in het leven geroepen, terwijl dit vrij eenvoudig had kunnen worden voorkomen. Ten slotte was het te kleine weiland en de ondergrond ongeschikt. De ondergrond was hard en niet voorzien van enige demping (zoals mul zand en te doen gebruikelijk in een bak), tevens was er schrikdraad gebruikt, waartegen het paard daadwerkelijk aan is gelopen, aldus gesteld door eiser.

Ieder van de beschreven gevaarzettende situaties hadden weinig bezwaarlijk en met geringe inspanning en kosten kunnen worden verholpen (tegen het licht van de kelderluikcriteria).

De beoordeling door de rechtbank

Hieronder volgt een deel van de beoordeling door de rechtbank:

4.4.

Als [gedaagde] in de in 4.3 genoemde bewijsopdracht slaagt volgt daaruit zoals overwogen niet dat [gedaagde] ook niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van haar eigen onrechtmatig handelen. [gedaagde] betwist echter dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. De onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagde] bestaat er volgens [eiseres] uit dat 1) [gedaagde] [eiseres] op het paard heeft laten rijden, terwijl zij niet wist hoe beleerd het paard was, 2) de locatie (een met stroomdraad afgezet stuk wei) van het inrijden daarvoor niet geschikt was en 3) [gedaagde] het halstertouw tijdens het inrijden heeft los gemaakt. [gedaagde] betwist deze door [eiseres] gestelde gang van zaken: zij stelt dat [eiseres] juist zelf heeft verzocht om het paard te mogen inrijden en vervolgens dat het halstertouw werd losgemaakt. [gedaagde] en [eiseres] hadden, aldus [gedaagde] , evenveel kennis over hoe weinig het paard was beleerd en ingereden. [gedaagde] betwist verder dat het stuk wei waarin het paard werd bereden daarvoor ongeschikt was.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat geen punt van geschil is dat [eiseres] en [gedaagde] beiden ervaren ruiters zijn, die van jongs af aan hebben gereden. Voorts heeft [eiseres] niet gesteld, althans niet onderbouwd, dat [gedaagde] enige zeggenschap had over het gedrag van [eiseres] . [eiseres] mocht in ruil voor verzorging van de paarden op de paarden van [gedaagde] rijden. Dit ging steeds op basis van vrijwilligheid. Dat [gedaagde] als eigenaar op zich meer zeggenschap had over de paarden doet daaraan niet af. Geen punt van geschil is dat [eiseres] de paarden van [gedaagde] in beginsel naar eigen inzicht mocht berijden. Partijen twisten over de vraag van wie van hen beiden het initiatief uitging van het door [eiseres] (als eerste) berijden van het paard. De rechtbank overweegt dat, wat er daarvan verder ook zij, in ieder geval over en weer niet is betwist dat dit in ieder geval vrijwillig ging en dat [eiseres] én [gedaagde] daarmee beiden hebben ingestemd.

4.6.

Ten aanzien van het eerste verwijt overweegt de rechtbank dat het niet zonder meer onrechtmatig is om een nieuw paard te laten inrijden als je niet precies weet hoe beleerd het is, of als je er van uitgaat dat het niet beleerd is. Het inrijden kan immers juist mede het doel hebben om inzicht te krijgen in de mate van beleerdheid en berijdbaarheid. [eiseres] heeft niet betwist dat zij ervaring had met het inrijden van paarden en dat [gedaagde] daarvan in ieder geval mocht uitgaan. Zoals overwogen kan er van worden uitgegaan dat het inrijden van het paard door [eiseres] in ieder geval vrijwillig ging zodat het verzoek daartoe van [gedaagde] ook daarom in beginsel niet onrechtmatig is. Verdere onderbouwing van waarom op dit punt sprake is van onrechtmatigheid heeft [eiseres] niet gegeven.

4.7.

Voor zover uit de toelichting tijdens de mondelinge behandeling van [eiseres] moet worden begrepen dat [eiseres] stelt dat de onrechtmatigheid er inzit dat [gedaagde] haar niet goed heeft ingelicht over het gebrek aan rijervaring van het paard en dat zij er daardoor ten onrechte uitging dat er al geregeld op het paard was gereden geldt het volgende.

4.8.

[gedaagde c.s.] verklaart over de feitelijke beleerdheid van het paard ten tijde van het ongeluk dat het door de overige eigenaar gelongeerd was, dat het in de wei bereden was, maar niet ‘intensief doorgereden’, dat er op gezeten was maar dat er ‘niet serieus’ mee gereden was, en dat het ‘basis ingereden was’ en de hulpen kende. Dit is verder niet door [eiseres] weersproken zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

4.9.

Geen geschilpunt is verder dat [eiseres] en [gedaagde] destijds allebei wisten dat het paard ‘nieuw’ was en dat het moest worden ingereden. Geen van beiden wist precies wat het paard bij de vorige eigenaar had geleerd en hoe beleerd en hoe bereden het was. [gedaagde] verklaart dat beiden er destijds van uitgingen dat er nooit met het paard was gereden en dat zij beiden hetzelfde kennisniveau hadden. [eiseres] verklaart dat zij inderdaad niet wist hoe bereden het paard was, maar dat zij er van uit ging dat [gedaagde] dat als eigenaar wel wist en dat zij had willen weten dat [gedaagde] dat dus ook niet wist. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] er op haar beurt van uit ging dat [eiseres] wist dat [gedaagde] ook niet meer wist. De rechtbank concludeert dat er over en weer mogelijk sprake is van een verkeerde veronderstelling over de kennis bij de ander. [eiseres] heeft echter niet onderbouwd waarom zij er van mocht uitgaan dat [gedaagde] meer wist dan zij, of dat [gedaagde] had moeten begrijpen dat [eiseres] daar van uitging. Evenmin heeft zij onderbouwd waarom zij, terwijl zij wist dat het paard nieuw was en ingereden moest worden, er van mocht uitgaan dat het paard beter ingereden was dan het feitelijk was (zoals omschreven in 4.8). Zelfs als zij er van mocht uitgaan dat [gedaagde] meer wist over het paard, kan daarop, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, nog geen gerechtvaardigde verwachting worden gestoeld dat het paard beter dan slechts beperkt ingereden was. Dat [eiseres] er ook daadwerkelijk rekening mee hield dat het paard nog niet goed was beleerd volgt ook uit haar antwoord tijdens de mondelinge behandeling op de vraag of zij wist dat niet veel bekend was hoe beleerd het paard was: “daarom doe je het ook samen en houdt de ene het touw vast en de ander rijdt erop”. Dat er op dit punt nog sprake is van onrechtmatigheid van [gedaagde] acht de rechtbank in die omstandigheden onvoldoende onderbouwd.

4.10.

[eiseres] heeft verder onvoldoende onderbouwd dat de locatie waar het inrijden plaatsvond daarvoor ongeschikt was. [gedaagde] betwist dat het deel van de wei waar werd gereden te klein was. [eiseres] heeft niet gesteld hoe groot dat gedeelte van de wei was en welke norm daarvoor zou gelden. De stellingen dat “het in de paardenwereld een feit van algemene bekendheid [is] dat een klein weitje met enkel een stroomdraadje, geen geschikte plek is -maar juist een erg gevaarlijke plek- om een jong paard te gaan trainen”, dat de plek waar gereden wordt “voldoende ruim” moet zijn en “voorzien van een solide afrastering” zijn onvoldoende concreet. Dat hier een rol zou hebben gespeeld dat gebruik werd gemaakt van een stroomdraad is niet geconcretiseerd. De eerder door Cordaet opgetekende verklaring van [eiseres] (zie 2.7) dat het paard voor het ongeluk de stroomdraden heeft geraakt heeft zij in zoverre teruggenomen dat zij stelt niet te weten of een stroomdraad is geraakt. Daarbij komt dat [gedaagde] onbetwist stelt dat er geen stroom op de draad stond.

4.11.

Ten aanzien van het laatste verwijt overweegt de rechtbank dat [eiseres] stelt dat het initiatief om het halstertouw los te maken van [gedaagde] uitging (die dat betwist), maar dat [eiseres] niet betwist dat dat in ieder geval met haar is overlegd en dat zij daarmee heeft ingestemd. Waarom het losmaken van het halstertouw door [gedaagde] dan jegens [eiseres] nog een onrechtmatige daad oplevert is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien.

tussenconclusie

4.12.

De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betekent dat indien [gedaagde] slaagt in de in 4.3 genoemde bewijslevering en vaststaat dat aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW contractueel is uitgesloten, geen sprake is van aansprakelijkheid. De vordering in conventie zal dan worden afgewezen.

Eigen energie van het paard

4.13.

Indien [gedaagde] niet slaagt in de bewijslevering komt de vraag aan de orde of sprake is van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:179 BW, omdat het ongeluk (mede) is veroorzaakt “door” het paard. Dat [gedaagde] bezitter is van het paard staat vast. De grondslag voor de risicoaansprakelijkheid krachtens artikel 6:179 BW voor door een dier aangerichte schade is het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat daarin ligt opgesloten. Dit brengt mee dat voor toepassing van het artikel nodig is dat de schade veroorzaakt is door een eigen gedraging van het dier, waarbij het dier dus niet ‘als instrument handelt van de persoon, die hem berijdt of leidt’1. Zolang het dier optreedt overeenkomstig hetgeen de begeleider van hem verlangt, mist artikel 6:179 BW toepassing.2

4.14.

[gedaagde] betwist dat de eigen energie van het paard in de genoemde zin de oorzaak is van het ongeluk. Zij stelt dat het paard slechts de door [eiseres] gegeven instructies opvolgde: [eiseres] heeft het paard eerst in draf laten gaan, heeft toen haar kuiten geklemd, wat voor een paard een teken is om in galop te gaan, en heeft toen de teugels aangetrokken, waardoor het paard stopte en [eiseres] eraf viel, zo stelt de advocaat van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling. Voor zover daarmee gesteld wordt dat [eiseres] steeds bewust instructies gaf en het paard deze instructies slechts opvolgde komt dit niet geheel overeen met wat [gedaagde] daarover eerder zelf heeft geschreven (zie 2.9) te weten dat:

· -[eiseres] heeft besloten het paard te laten draven;

· -Het paard toen in galop ging;

· -[eiseres] niet in staat bleek om in balans op het paard te blijven zitten – zoals een ervaren ruiter zou doen – maar zich vastklemde om niet te vallen;

· -[eiseres] het paard niet willens en wetens heeft aangespoord om in galop te gaan, maar zich uit onbalans vastklemde met haar benen;

· -Dit een ruiterfout is omdat het paard dan harder gaat rennen;

· -De angst van [eiseres] mogelijk oversloeg op het paard;

· -Als [eiseres] zo ervaren was geweest als ze had gezegd, ze haar balans had weten te houden en het paard had gestopt met de teugels, bijvoorbeeld door een teugel kort te nemen zodat het paard wel moet stoppen, maar dat Ee was hier door onbalans en gebrek aan kennis niet toe in staat was.

Onder de woorden “Eigen schuld” schrijft [gedaagde] verder: “Er was inderdaad geen sprake van bewust aandrijven in galop, maar als ervaren ruiter zou je niet zo snel je balans moeten verliezen (het paard galoppeerde, ze maakte geen rare sprongen, tot na een tijdje het paard plots stil stond en [eiseres] eraf viel omdat ze uit balans was.)”.

Dat [gedaagde] op 12 oktober 2018 schriftelijk een onjuiste weergave van de gebeurtenissen gaf is niet gesteld en evenmin dat de door de advocaat gegeven omschrijving ter zitting juister zou zijn dan deze weergave van [gedaagde] zelf, die zij ter zitting met zoveel woorden nog heeft herhaald. Uit die verklaring volgt dat ook in de visie van [gedaagde] geen sprake is van het geven van welbewuste instructies aan het paard die het paard heeft opgevolgd. Als van de verklaring van [gedaagde] wordt uitgegaan kan worden aangenomen dat het paard heeft gereageerd op de gedragingen van [eiseres] , maar niet dat, vanaf het moment dat [eiseres] het paard wilde laten draven, nog sprake was van handelen overeenkomstig met wat [eiseres] van het paard verlangde. Ook in de visie van [gedaagde] heeft [eiseres] nooit de bedoeling gehad het paard in galop te brengen en later plotseling te doen stoppen en heeft zij daartoe ook geen welbewuste instructies gegeven. Dat het gedrag van het paard volgens [gedaagde] normaal was, gelet op de door [eiseres] onbedoeld gegeven ‘hulpen’ (als gevolg van haar uit balans raken, dan wel van haar onvermogen) doet er niet aan af dat het paard daarmee niet (slechts) handelde als instrument van [eiseres] en niet deed wat [eiseres] verlangde. Het in galop raken en vervolgens plots stoppen (volgens [gedaagde] ) en/of maken van een zijsprong (volgens [eiseres] ) waardoor [eiseres] viel, komen derhalve, los van de vraag of dat gedrag van het paard een reactie was op het gedrag van [eiseres] , voort uit de eigen energie van het paard.

4.15.

[gedaagde c.s.] heeft nog een beroep gedaan op de laatste regel van artikel 6:179 BW, waarin is bepaald dat aansprakelijkheid voor een bezitter van een dier ontbreekt indien aansprakelijkheid ook zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het paard in zijn macht zou hebben gehad (de ‘tenzij-regel’). Het voor [eiseres] onverwacht galopperen en plots stoppen/opzij springen door het paard -wat immers een aanzienlijk risico op letsel met zich brengt- zou echter ook aansprakelijkheid opleveren als [gedaagde] het paard in haar macht zou hebben gehad en het paard daartoe de opdracht zou hebben gegeven. Het beroep van [gedaagde c.s.] op voornoemde tenzij-regel treft dan ook geen doel.

4.16.

De conclusie is dat als [gedaagde c.s.] niet slaagt in de bewijsopdracht zij, als bezitter van het paard, in beginsel op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] als gevolg van het ongeluk, behoudens het hierna aan de orde komende eigenschuldverweer.

Eigen schuld

4.17.

[gedaagde c.s.] heeft (meer) subsidiair aangevoerd dat haar vergoedingsplicht voor de schade van [eiseres] geheel dan wel grotendeels moet vervallen, omdat de schade (grotendeels) het gevolg is van aan [eiseres] toe rekenen omstandigheden (6:101 BW). [gedaagde c.s.] voert in dat verband aan dat [eiseres] vrijwillig -voor eigen risico- de paarden van [gedaagde] bereed en ook vrijwillig het paard heeft ingereden terwijl zij wist dat het paard nog niet bevestigd was in het rijden. Zij heeft daarbij ruiterfouten gemaakt en zich niet gedragen als de ervaren ruiter die ze [gedaagde] voorgespiegelde te zijn. Het ongeluk is daarom te wijten aan omstandigheden die voor haar rekening komen.

4.18.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 25 oktober 20023 over schade veroorzaakt door eigen energie van een paard overwogen dat als iemand die een paard van een ander berijdt, schade lijdt ten gevolge van onberekenbaar gedrag van het paard, het enkele feit dat de benadeelde het paard uit vrije wil berijdt, krachtens een overeenkomst met de eigenaar, niet voldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat de uit artikel 1404 (oud) BW (thans artikel 6:179 BW) voortvloeiende aansprakelijkheid van de eigenaar van het paard geheel vervalt. Of en zo ja in hoeverre om die reden sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval. Een andere opvatting is niet te verenigen met de strekking van genoemde bepalingen, welke strekking juist is dat het risico van, kort gezegd, het onberekenbare gedrag van een dier in beginsel voor rekening van de eigenaar van dat dier komt. De Hoge Raad overweegt in het arrest verder als volgt:

Wel zal in die situatie in gevallen waarin, zoals hier, ervan moet worden uitgegaan dat noch aan de benadeelde noch aan de eigenaar enige onzorgvuldigheid te verwijten is, uit aard en strekking van de overeenkomst in de regel voortvloeien dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet blijven. Het is echter afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval in hoeverre de vergoedingsplicht van de eigenaar dan moeten worden verminderd door de schade over beide partijen te verdelen.

4.19.

De rechtbank heeft al overwogen dat als komt vast te staan dat is afgesproken dat het berijden van de paarden van [gedaagde] door [eiseres] geheel voor eigen risico was, geen sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde c.s.] (zie 4.12). Eigen schuld komt dan niet aan de orde. Voor zover niet komt vast te staan dat die afspraak is gemaakt geldt het volgende.

4.20.

Geen geschilpunt is dat [eiseres] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [eiseres] zelfstandig op de paarden van [gedaagde] mocht rijden. Er mag in beginsel van worden uitgegaan dat [eiseres] dan een grote mate van verantwoordelijkheid draagt voor haar eigen veiligheid. [eiseres] reed van jongs af aan paard en was daarin ervaren. Zij mag dan ook worden geacht bekend te zijn met het risico dat in zijn algemeenheid samenhangt met paardrijden, waaronder het risico er van afgeworpen te worden, mede gelet op het onberekenbare gedrag dat dieren, en dus paarden, eigen is. Dit risico heeft [eiseres] voor lief genomen. Dit geldt des te meer bij het berijden van het paard, nu [eiseres] wist dat het ‘nieuw’ was en zij in ieder geval zelf niet wist hoe bereden en beleerd het was. Dat ze zich bewust was van de extra risico’s volgt ook uit haar opmerking tijdens de mondelinge behandeling dat dit ook de reden was dat ‘je het samen doet’ en dat dan de een het touw vast houdt terwijl de ander er op rijdt. Dat het gedrag van het paard dat hier plaatsvond, het in galop gaan en plotseling stilstaan/opzij springen, in deze omstandigheden zo buiten de lijn van verwachtingen lag dat [eiseres] daar helemaal geen rekening mee hoefde te houden, is niet gesteld.

4.21.

[gedaagde c.s.] heeft verder aangevoerd dat [eiseres] ook verweten kan worden dat zij ruiterfouten heeft gemaakt, door te besluiten in draf te gaan, vervolgens met haar kuiten te knijpen, de teugels los te laten en deze later weer aan te trekken. Dat hier [eiseres] daadwerkelijk iets te verwijten valt acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Dat het aanzetten tot draf in de gegeven omstandigheden – [eiseres] en [gedaagde] verklaren beiden dat het paard toen rustig was en zich braaf gedroeg- op zich onverantwoord was is niet onderbouwd. Het paard is, zo verklaren beiden verder, vervolgens in galop gegaan waarna [eiseres] haar evenwicht verloor. De blote stelling van [gedaagde c.s.] dat dit een ervaren ruiter niet zou (mogen) overkomen is onvoldoende om aan te nemen dat hier sprake is van een fout van [eiseres] . Geen punt van geschil is verder dat de verdere handelingen die [gedaagde c.s.] [eiseres] verwijt, het knijpen met de kuiten en het loslaten en/of weer aantrekken van de teugels – in het midden gelaten wat [eiseres] toen precies heeft gedaan, waarover partijen van mening verschillen – voortvloeit uit dat verliezen van het evenwicht door [eiseres] en het trachten op het paard te blijven zitten. De omstandigheid dat [eiseres] in de ogen van [gedaagde] toen beter anders had kunnen handelen betekent nog niet dat het handelen van [eiseres] verwijtbaar was. Dat sprake was van verwijtbaar gedrag acht de rechtbank verder onvoldoende onderbouwd.

4.22.

Het vorenstaande neemt niet weg dat [eiseres] degene was die op het paard reed en het paard daarmee -tot een zekere hoogte, behoudens diens eigen energie- controleerde. Zij is het ook die het paard feitelijk tot draf aanzette, waarmee zij, nu het paard voor haar onbekend was en zij ook niet wist hoe beleerd het was, nog een zeker extra risico nam en zij dat risico ook aanvaardde. Dat [eiseres] dit aanzetten tot in draf gaan volgens haar stellingen -wat daar ook van zij- deed na overleg met [gedaagde] doet daaraan niet af. De rechtbank zal dit betrekken bij de verdeling van de vergoedingsplicht.

4.23.

Ten aanzien van voor de verdeling van de vergoedingsplicht verder mee te wegen omstandigheden overweegt de rechtbank dat geen punt van geschil is dat [gedaagde] voor aansprakelijkheid verzekerd is bij Univé. Vast staat voorts dat [eiseres] door het ongeluk het in 2.5 genoemde letsel heeft opgelopen en nog steeds aanzienlijke klachten ervaart.

Verdeling van de vergoedingsplicht

4.24.

Het vorenstaande leidt tot de volgende conclusies over de mogelijke verdeling van de vergoedingsplicht in de zin van artikel 6:101 BW (voor zover [gedaagde] niet aan de bewijsopdracht voldoet). De rechtbank is van oordeel dat de over en weer toe te rekenen omstandigheden, enerzijds de risicoaansprakelijkheid van [gedaagde] als bezitter van het paard voor de door eigen energie veroorzaakte schade en anderzijds het aanvaarden van de risico’s door [eiseres] , beide in gelijke mate (causaal) tot het ongeluk en de schade hebben bijgedragen. In verband met de vervolgens aan de orde komende billijkheidscorrectie acht de rechtbank van belang dat de voor rekening van [gedaagde] komende omstandigheid, die risicoaansprakelijkheid voor de eigen energie van het paard voor een belangrijk deel wordt gecompenseerd door de aanvaarding van dat risico door [eiseres] door het paard vrijwillig te berijden. Gelet op de ervaring van [eiseres] , de omstandigheid dat zij de paarden van [gedaagde] steeds zelfstandig mocht berijden, zij ook bewust moest zijn van haar eigen verantwoordelijkheid voor haar eigen veiligheid, het aanvaarden van de daarmee gaande risico’s, die des te groter waren voor het paard waarvan de mate van beleerdheid voor [eiseres] onbekend was en het in die omstandigheden aanzetten tot draf eist de billijkheid naar het oordeel van de rechtbank, de in 4.23 genoemde omstandigheden meewegend, dat de schade van het incident voor 75% voor rekening van [eiseres] zal blijven.

Vindplaats uitspraak: rechtspraak.nl